fragment

uit: ‘Zo heb je mij genoemd’

mail naar info@trudyvanrooij.nl of druk op:

Bestel Boek

 


‘Gaat u wel eens naar het dorp?’ vroeg hij toen ik de kopjes op tafel zette.

Ik keek hem aan, begreep de vraag niet.

‘U hebt geen moestuin, geen koeien. U bent niet meer zelfvoorzienend. Uw melk, vlees en groenten moeten nu uit de winkel komen.’

‘Ik kuier wel eens naar de markt,’ zei ik en ik schonk de kopjes in. Toen ik ging zitten, keek hij me zo indringend aan dat ik mijn ogen neersloeg. Het was lang geleden dat dat gebeurd was.

‘U loopt wel eens naar de markt,’ zei hij droog, en vervolgde: ‘Hoe loopt u dan?’

‘Met de benenwagen,’ zei ik en ik keek hem glimlachend aan. ‘Hoe anders?’

‘Wandelend,’ zei hij. Hij glimlachte niet terug, bleef me strak aankijken en vroeg: ‘Gaat u dan langs die omgevallen lariks of gaat u langs die eik die om ligt, en over die slootjes?’

Ik snapte niet dat hij die route kon kennen.

‘Ik zie dat u schrikt mevrouw,’ zei hij en ik voelde hoe hij naar mijn ogen tuurde terwijl ik naar de koffie keek. ‘Maakt u nog gebruik van de oude wegen hier? Gaat u over die slootjes?’

Ik wist niet wat te zeggen. Hij bleef me aankijken. Toen vroeg ik: ‘Waar komt u nou voor?’

Hij legde die grote map van hem plat op de grond, knoopte de touwtjes met zorg open, haalde er een vel papier uit en legde dat naast de map op de vloer. Hij bleef het papier uitvouwen totdat bijna de halve vloer bedekt was.

‘Kunt u het zo zien, mevrouw?’ vroeg hij.

Ik ging op de stoel naast hem zitten. ‘Ja,’ zei ik. ‘Zo wel.’ Ik keek naar zijn tekening. Of tekening… het was eerder een kaart, een plattegrond zoals opa die eens aan me had laten zien.

Hij zei: ‘Dit is een uitvergroting van een kaart uit de bibliotheek van de universiteit van Tilburg. Hij geeft de situatie aan van 1775.’ Hij ging met zijn wijsvinger over een lijn en zei: ‘Met een rode stift heb ik de routes uit de vroege middeleeuwen ingetekend.’ Hij ging met zijn vinger over een andere, een blauwe lijn. ‘Met een blauwe heb ik de routes ingetekend van voor de middeleeuwen, vlak nadat de Romeinen het gebied hier hadden verlaten.’ Hij wees ze aan. Maar ik hoefde niet te kijken.

Ik wist welke wegen hij bedoelde en ik kende ze. Ik wilde niet dat hij ze kende. Maar blijkbaar kende hij ze.

Ik keek naar hem, hoe hij alle wegen aanwees die wij verborgen hadden willen houden. De pest had ons nooit bereikt, plunderende soldatenlegers hadden ons nooit gevonden. Ik ging staan. Maar hij bleef zitten.

Vroeger stonden de mensen altijd op, als ik opstond. Vroeger wisten de mensen nog hoe het hoorde.

‘Kent u deze wegen?’ vroeg hij.

Ik wist niet wat ik moest zeggen en mompelde maar wat.

‘Sorry?’ zei hij. ‘Wat zegt u?’

‘Ik snap die kaarten nooit,’ zei ik, omdat ik niet wilde liegen.

Hij moest hier weg. Vergeten moest hij. Vergeten.

‘Kijk,’ zei hij. ‘Dit is de Boomstraat in het dorp, daar begint het bos en hier is uw boerderij. Er is al heel lang bebouwing op deze plek, zo te zien. En hier loopt een pad dat er al was vóór 1350. Dat weet ik, omdat het gebruikt is door Wilibrordus en Lambertus en zijn mannen, toen ze hun kerken stichtten op de plek van de heidense heiligdommen.’

Ik moest iets verzinnen om ervoor te zorgen dat hij zou vertrekken, maar het leek wel alsof ik niet meer kon denken. Met zijn gepraat en al dat wijzen op die kaart kwam hij angstig dicht bij onze geheimen.

Hij stond weer op en veerde langzaam overeind. Nu pas viel het me op hoe lang hij was. Hij zei: ‘Na de inquisitie werden er geen kerken meer gebouwd op die plekken.’

Ik voelde mijn hart bonken.

‘De oude wegen die de oude heiligdommen met elkaar verbonden werden in de loop der jaren steeds minder gebruikt. Daardoor zijn ze verdwenen.’ Hij hief zijn wijsvinger. ‘Maar niet helemaal. Ik heb er de afgelopen maanden nog regelmatig oude mensen zien lopen.’

Het was alsof ik in mijn blootje stond. Simon hield zijn armen over elkaar, rechtte zijn rug en vervolgde zijn verhaal.

‘En hier hebt u de reden van mijn bezoek: ik probeer erachter te komen waarom de lokale bewoners er nog steeds gebruik van maken, terwijl de paden in deze tijd toch niet meer efficiënt zijn.’ Hij keek me aan. ‘Weet u hoe dat zit?’

‘Ik loop gewoon over de paden die ik als kind van mijn vader en moeder heb geleerd. Verder weet ik er niks van.’

‘Dat zeiden die anderen ook allemaal,’ zei hij. Dat verbaasde me niks.

Geen van allen hadden ze ooit import vertrouwd.

‘Waar bent u allemaal geweest?’ vroeg ik hem, om hem van het onderwerp af te brengen.

‘Kasteren, Hermalen, Hezelaar, Olland.’

‘Bij wie bent u dan geweest?’ vroeg ik. ‘Mies van de Sande? Die heeft pas geleden nog een nieuwe koe gekocht, hoorde ik van Hendrik den Kletsmulder. En die koe heeft maar twee spenen aan zijn uiers en…’ Maar hij onderbrak me.

‘Ik ben ook in Ruimel geweest, en op de Hogert en Theereheide. Al die gehuchten zijn met elkaar verbonden met een netwerk van oude wegen waarover nog steeds oude mensjes wandelen. Ik kwam er geregeld eentje tegen onderweg. Maar geen van allen konden ze me vertellen waarom ze de snelwegen overstaken en waarom ze zo omliepen.

‘Waarom wilt u dat allemaal weten?’ vroeg ik.

‘O, het is een hobby die ik na mijn pensioen heb opgepakt. De vaderlandse geschiedenis heeft altijd mijn interesse gehad, vandaar.’

‘Ik weet het echt niet,’ zei ik. ‘Als ik naar het dorp ga, ga ik zo. Dat heb ik altijd zo gedaan. Ik zie niet in waarom ik anders zou lopen.’

‘Maar het is niet efficiënt,’ zei hij. ‘Er zijn genoeg kortere wegen die vanaf uw huis naar het dorp leiden.’ Hij begon op de kaart te wijzen. ‘Kijk,’ zei hij. ‘Hierlangs bijvoorbeeld, of daarlangs….’

‘Dat zijn zeker wegen die pas geleden zijn aangelegd.’

‘Nou, zo kortgeleden zijn ze niet aangelegd, mevrouw,’ zei hij. ‘Maar ik denk dat ik het wel snap. U leeft duidelijk nog in de oude tijd.’ Hij keek om zich heen. ‘U hebt nog niet eens een potkacheltje, of elektriciteit. U bent zo iemand die niet graag mee gaat met de moderne ontwikkelingen. Komt het daardoor dat u nog vasthoudt aan de oude routes? Is het echt zo simpel?’

‘Ja,’ zei ik zo overtuigend mogelijk, om ervan af te zijn. ‘Had u verder nog vragen?’ Ik hoopte dat hij uit zichzelf weg zou gaan. Want anders moest ik de gedroogde appeltjes pakken die met opa altijd hadden gewerkt. Maar daarvoor moest ik naar de kelder.

‘Ja,’ zei hij. ‘Eigenlijk wel.’ Hij bloosde. ‘Toen ik uw boerderijtje zag, kon ik het niet nalaten het meteen te gaan tekenen. Dat is een andere hobby van me. Ik vind het aardig om die twee te combineren.’

Toen wist ik dat ik mijn kelder in moest.

Ik zou hem in slaap krijgen waarna hij geen moeilijke vragen meer zou stellen.

‘Laat eens zien?’ zei ik zo geduldig mogelijk. Hij bladerde wat door de papieren in de map die nog op de grond lag en haalde toen de tekening tevoorschijn.

Ik verslikte me in mijn eigen spuug toen ik mezelf zag. Hij had mij getekend terwijl ik de kippen stond te voeren. Wie weet hoelang hij er al gestaan had zonder dat ik er iets van had gemerkt. Ik keek hem aan. Ik snapte niet hoe dat kon, dat ik niks gevoeld had.

‘Kijk,’ zei hij, en hij wees op zijn tekening, ‘Die diagonale lijn van die hefboom, waarmee je de emmer uit de waterput tilt komt helemaal overeen met die lijn van het dak, als je vanuit dit perspectief kijkt.’

Ik kon alleen maar naar het oude wijfje kijken dat hij had getekend. Wat zag ik eruit. Die ingevallen wangen, die wallen onder mijn ogen. Die kromme rug. Die neus.

Het deed me ergens aan denken.

‘En hier,’ zei hij verheugd, ‘Die lichte laatste kwartier maan boven uw huis heb ik wat extra aangezet, en die bezem bij de deur heb ik benadrukt door wat met licht en schaduw te spelen. Ze versterken de symboliek van u als eh…zeg maar … oud en kromgetrokken vrouwtje wonend in het bos. Met de beste bedoelingen, mevrouw.’

uit: ‘Zo heb je mij genoemd’

Trudy van Rooij-van Mil

Bestel Boek
Delen