Categorie: columns

We gaan het helemaal anders doen

Dit bedankje maakte ik voor mijn klanten en de zzp’ers met wie ik had samengewerkt. Na een pauze had ik mijn bedrijf dat jaar nieuw leven ingeblazen. De mooie projecten die ik met hen had uitgevoerd had ik in het boekje beschreven. Ik kreeg veel leuke reacties. Maar ik twijfelde over mijn bedrijf.

Op 1 januari 2020 wist ik niet waar ik me op zou gaan richten. Ik had ontdekt dat “tekstschrijver”niet omschreef wat ik allemaal deed. Eigenlijk deed de term me tekort. Want ik gaf ook workshops en bijles Engels, leidde projecten, ontwikkelde lesmateriaal en zocht naar creatieve oplossingen voor allerlei praktische problemen.

Maar hoe moest ik dan mijn bedrijf noemen? Hoe moest ik het in de markt zetten? Ik wist het niet. En waar ik vooral tegenaan liep was dat ik fijne collega’s miste met wie ik in een fijn team samen aan een groot project kon werken.

Een oproep op Linkedin

Eind februari ging er ineens een klus niet door, en riep ik op Linkedin dat ik ruimte had in mijn agenda. Meteen kreeg ik een berichtje van een contact. Ze vroeg of ik ook EMVI-plannen kon schrijven. Dat kon ik niet. Maar ik ging haar bedrijf wel in de gaten houden.

Kort daarna postte ze een interessante vacature. Enkele dagen later, op 10 maart, had ik een sollicitatiegesprek. Gedurende dat gesprek wist ik: hier wil ik werken! Die klik hadden zij ook gevoeld en we planden een tweede gesprek. Maar toen begon de lock-down. We stelden het gesprek daarom uit tot 6 april als de scholen weer open zouden gaan…

Helaas, corona!

We weten allemaal: de quarantaine werd verlengd. Gelukkig ging het gesprek via videobellen toch door. Ook de teamleider bleek enthousiast. In principe zou ik nu verder het aannameproces ingaan waarbij ik nog wat contactmomenten zou hebben. Maar helaas. Corona.

Het werd mei. Ik gaf thuisonderwijs, verkocht romans, deed tekstklusjes en acquisitie. Het bedrijf wilde me een goede start geven. Dat ging alleen als ik op een grondige, degelijke manier ingewerkt kon worden. Dat ze dat wilden, vond ik een heel goed teken. Maar ik kon daarom nog niet worden aangenomen.

Drie maanden later

Toen, op donderdagmiddag 18 juni had ik een derde gesprek. Dit keer met de andere directeur en een projectleider. Meteen daarna kreeg ik te horen dat ik was aangenomen. Wanneer ik kon beginnen? Ik lachte: nu! Vandaag had ik al mijn eerste werkdag.

Ik werk nu dus bij KYBYS. Wij richten buitenruimtes in. Dat doen we voor overheden, zoals gemeenten, provincies en waterschappen. Maar ook voor bijvoorbeeld architecten en bedrijven. Ik ben projectmedewerker en ben al begonnen met leren en lezen. Het is ontzettend interessant!

TrudyTekst?

Naast de twintig uur die ik bij KYBYS werk, houd ik mijn tekstbedrijf aan. Ik blijf columns schrijven voor Brabants Centrum, bijles Engels geven en andere klusjes doen. Natuurlijk blijf ik ook mijn boeken verkopen. Daarnaast zullen jullie binnenkort ook op roman-gebied wat van me horen.

Als je je vinger opsteekt

Foto door Kaboompics .com via Pexels

Verscheen eerder in Brabants Centrum

Toen ik vorige donderdag in de keuken het avondeten stond klaar te maken ontving ik via Facebook het zoveelste vriendschapverzoek van een restaurant. Met een verdrietig gemoed accepteerde ik en legde mijn telefoon weg. Zingend schuifelde ik langs mijn pannetjes op de relaxte muziek van Erykah Badu. Ik schaafde asperges, kookte eieren, schilde aardappelen. Voor lekker eten kan ik zelf zorgen. Net zoals ik thuis les kan geven aan mijn kinderen. Met een theelepeltje liefde en geduld, een deciliter overzicht en (voor thuisonderwijs) vijf kilo acceptatie lukt dat prima. Maar nu voelde ik me naar. Ik had te doen met de horeca.

Moest ik dan toch eens bestellen via Thuisbezorgd? Eerlijk gezegd, die spaarzame keren dat ik uit eten ga, doe ik dat zelden voor de gerechten. Het gaat me om iets heel anders. Door mijn keukenraam zag ik de bezorgster van Brabants Centrum voorfietsen. De krant viel op de mat. Ik legde hem op het aanrecht en terwijl ik de aardappels bakte viel mijn oog op die prachtige foto van Claire voor haar terras. Ik riep naar mijn man: ,,Schenk jij even een wijntje in?’’. Bij Le Temps Perdu hadden we onze eerste date. Ik had zoveel meegemaakt in dat café. Zoveel grappige, interessante en diepe gesprekken gevoerd. Gedanst, geklapt voor artiesten.

,,Aan tafel!’’ riep ik. De tranen sprongen in mijn ogen. Mijn man en kinderen keken me verbaasd aan. ,,Ik ben ineens zo verdrietig omdat ik het terras zo mis,’’ verklaarde ik. ,,Ik wil gewoon weer eens gezellig met vrienden kletsen en ….’’ Mijn dochter keek me met haar lieve grote ogen aan. ,,Mama, ik snap je wel. Ik mis Joke. En Elise, en mijn vriendinnetjes. Elise kan zo goed uitleggen. Ze komt meteen als je je vinger opsteekt, als je iets niet snapt.’’

Toen begreep ik het. Wat de horeca is voor mij, is school voor de kinderen. En thuisonderwijs is als Thuisbezorgd. Het voelt als surrogaatgezelligheid. Maar het moet nu eenmaal om de economie en de maatschappij in stand te houden. Wat zullen ze blij zijn als ze volgende week weer naar school mogen.

Normaal

Mijn zoon had nieuwe sandalen nodig. De linker in maat 41, de rechter in maat 37. Normaal koop ik zijn schoenen online. Want er zijn veel eisen waaraan zijn schoeisel moet voldoen. In fysieke winkels word ik dan altijd zo’n spastische moeder die met alle macht zo gewoon mogelijk probeert te doen. Maar nu, in het kader van ‘koop lokaal’, besloot ik de Boxtelse middenstand toch maar eens te bellen.

Elke verkoopster die ik aan de lijn kreeg, startte een elektronische zoektocht. Maar telkens moesten we concluderen dat het bij hen niet ging lukken. Uiteindelijk werd ik naar de Wit in Schijndel verwezen, tien kilometer bij ons vandaan. Hun sandalenspecialiste raadde me aan om even langs te komen met mijn zoon. Ik was compleet in shock! De winkel in? Wij? Tijdens de Corona? Zij durfde het aan, zei ze. ‘Ik zet vast wat klaar.’ We spraken een tijdstip af.

Het parkeerterrein van De Wit was flink gevuld. Binnen liepen gezinnen in drommen door de gangpaden, rakelings langs het vriendelijk lachende personeel. Geen met tape gemarkeerde vakken, zoals in de wachtkamer bij de tandarts. Geen afhaalloket, zoals bij de restaurants. Geen streng ingrijpende beveiliger, zoals laatst bij de Gamma. De vriendelijke winkeldame hielp ons goed en binnen een kwartier liepen we met twee goed geprijsde paren naar buiten. Thuis waste ik mijn handen (twintig seconden). Het was duidelijk dat de maatregelen nog niet overal hetzelfde werden toegepast.  

Op t.v. had Mark Rutte het over het ‘nieuwe normaal’, wat ik een bespottelijke term vond. Net alsof er voor de Corona een bepaald universeel ‘normaal’ bestond. Het begrip is te abstract. Vergelijk het met tegen je klierende kinderen roepen: ‘Doe normaal!’ Dat werkt niet, weet ik uit ondervinding.

Het zal straks wennen worden als alles weer voorzichtig open mag. Dan moeten we dat ‘nieuwe normaal’ gaan uitvinden. Dat lukt niet op een dag. Ook niet in een week. En ook zal het niet overal in elke situatie precies hetzelfde gaan. Iedereen die ooit in zijn leven zijn idee van ‘normaal’ heeft moeten bijstellen, kan er over meepraten. En dat zijn er meer dan je denkt.  

Deze column verscheen ook op mijn website Vuistslag.

Vraag zonder antwoord

foto (c) Martin van Mil – 1981

deze column verscheen eerder in Brabants Centrum op donderdag 16 april 2020.

Het was 1981. Ik was zeven jaar en mijn vader zat in Wuhan. Daar werkte hij aan een elektronenmicroscoop voor onderzoek naar mineralen. Eenmaal weer thuis had hij natuurlijk spannende verhalen te vertellen. Over die nachtelijke autorit tussen rijstplukkers door die op de weg lagen te slapen. Over het vreemde eten en het virus dat hij er opgelopen had. Toen ik kort daarna een onderwerp voor mijn eerste spreekbeurt zocht, zei mijn vader natuurlijk: ,,China.’’ De afgelopen week moest ik daar weer aan denken. Dat begon zo.

Ik was flink aan het kuchen, was benauwd en had verhoging. Natuurlijk dacht ik aan corona en googelde ’s avonds op de bank mijn diagnose bij elkaar. Maar veel van mijn vragen kon internet helaas niet beantwoorden. (Heb ik corona? Waarom werken mijn astmamedicijnen niet? Wanneer krijgt iedereen eindelijk die angstverminderende corona-antistoffentest?) Overdag bleven die onbeantwoorde vragen door mijn hoofd spoken. Daardoor was ik minder fanatiek als thuisschool-juf en paste ik wat meer de Franse slag-methode toe. Dus toen mijn zoon mij vroeg om hem te helpen bij het zoeken naar een onderwerp voor zijn spreekbeurtfilmpje, begon ik niet aan een educatieve gezamenlijke zoektocht. Nee. Ik dicteerde: ,,Wuhan. Dan kun je bellen met opa. Die kan er mooi over vertellen. Dat is leuk voor hem en leuk voor jou.’’ En handig voor mezelf, dacht ik er achteraan.

Al videobellend vertelde Martin senior over hoe hij zo’n veertig jaar geleden van Gemonde naar Wuhan was gereisd, waar hij had geslapen en wat hij er had gegeten. Maar na het gesprek las junior zijn aantekeningen, en zei: ,,Zo wordt het meer een Show & Tell over mijn opa. Dit gaat helemaal niet over Wuhan.’’ Hij ontdekte dat hij hele andere vragen had willen stellen. ‘’Ik wil weten hoeveel inwoners de stad heeft. Hoe groot de stad is, en hoe oud.’’ Ik werd er kriebelig van, want in tegenstelling tot mij stelde hij vragen waar internet wél het antwoord op wist. En wat hij daarna zei, maakte me helemaal knettergek. Hij grinnikte: ,,Mama, Hoe Lang is een Chinees.’’

Wat ik kan doen

foto door Boukje Canaan

Verscheen in Brabants Centrum op 26 maart 2020.

Mijn man kwam geïrriteerd de kamer inlopen. ,,De frietpan is vannacht van de plank gevallen. Alles zit onder het frietvet.’’ ‘Yes!’, riep ik en rende naar het schuurtje. Daar zag ik dat de parasol droop van het vet, de bak met konijnenvoer, de grasmaaier. Alles! Drie liter vet was in de tegels getrokken. En ik vond het heerlijk! Want dit was een ramp die ik wél kon bestrijden. Terwijl de kinderen alles naar buiten droegen, ging ik aan de slag met een borstel en een emmertje sop. Na vier uur schrobben was alles weer fris. Zo. Deze crisis had ik bedwongen.

Een onzichtbare vijand is moeilijker te verslaan. Daarom voel ik me zo machteloos als ik al die corona-berichten in de krant en op social media lees. Maar nadat ik onze kleine frietvetramp had bestreden, wist ik wat ik moest doen. Ik herinnerde me het boek ‘When all hell breaks loose’ van Cody Lundin. Daarin legt hij uit hoe je als gewone burger in bebouwd gebied het beste kunt handelen tijdens calamiteiten.

Een van de belangrijkste dingen die me na het lezen ervan bijgebleven was, was weten wat je prioriteiten zijn. Lichaamstemperatuur, hydratatie, focussen op hoop en positiviteit en vooral een goed humeur zien te houden. Op dat laatste kun je je voorbereiden door voor iedereen iets te regelen waar hij blij van wordt. Voor mijn man is dat de frietpan. Maar die was kapot. Het was vlak voordat de scholen gesloten werden. We waren nog niet bezig met ‘social distancing’. Dus ging ik op pad voor een nieuwe. Meteen ook maar een oorthermometer regelen, dacht ik.

Bij het Kruidvat was ik de enige klant. De toonbankpuber zei dat alle oorthermometers uitverkocht waren. Een vakkenvuller-meisje kwam naar hem toe lopen met een plastic pak met daarin vijftig doosjes condooms. Ze vroeg: ,,Wil jij deze straks vullen?’’ Ik schoot in de lach.

Dat was mijn laatste spontane buitenwereld-giechel voor een flinke tijd. Want we sluiten ons nu af. Met de nieuwe friteuse gaan we tot onszelf komen. Vandaag gaan we ons heerlijk verwennen. Want we staan niet aan het front. We hoeven even niet te vechten.


Over het boek ‘When all hell breaks loose’ van Cody Lundin schreef ik ook een column op mijn website ‘Vuistslag‘.

coronakartel

Foto door photos_by_ginny via Pexels

Weten sommige bejaarden iets dat ik niet weet? Is er een geheim coronakartel waarmee sommige exclusieve leden van de risicogroep vriendjes zijn? Anders kan ik het onaantastbaarachtige-gedrag niet verklaren waar ik de afgelopen week mee te maken kreeg.

Zelf ging ik na een combinatie van verkoudheid, quarantaine, thuisonderwijs en werk met mijn kinderen eindelijk weer eens door de voordeur naar buiten. We fietsten langs het Dinomuseum, door het tunneltje en toen over Heult weer terug naar Boxtel. En wat ik toen zag! Tientallen ouderen in groepjes die net zo gelukzalig keken als de inwoners van Luilekkerland. Zonder anderhalve meter afstand te houden keken ze alsof ze zich door de rijsteberg hadden heengegeten en dat ze nu geen coronadruppels inademden, maar verjongingsdruppels. En dat terwijl ik me de afgelopen weken – indachtig ‘survival of the fittest’, zo gruwelijk heb aangepast aan de omstandigheden dat ik inmiddels Barbamama ben geworden.

Ik schoot compleet in de knoop toen mijn dochter verschrikt riep: ‘Mama, die mevrouw houdt geen anderhalve meter afstand! Krijg ik nou Corona?’ De actuele cijfers van het CBS, en ook die van het RIVM vertellen dat mijn dochter niet tot de risicogroep behoort. Ik stelde haar daarom politiekincorrect gerust: ‘Jij niet, die mevrouw misschien wel.’ Waarom dromden die ouderen zo massaal samen? Hadden ze toegang tot een geheim medicijn? Of waren ze juist filantropen en offerden ze zich massaal op? Waren dit lieve corona-kamikaze-ouderen?

De volgende ochtend tijdens een wandelingetje werd het me duidelijk. De vogeltjes kwetterden, de magnolia rook zo heerlijk. Ik ademde diep in en genoot van het leven. Toen realiseerde ik me waarom ik zo bang ben voor Corona. Ik wil niet sterven. Want het aardse natuurlijke leven is zo fantastisch veelzijdig. Daar wil ik zoveel mogelijk van genieten. Dat willen die ouderen waarschijnlijk ook.

Overdag is zij een geduldige juffrouw, maar ’s avonds…

foto door Stephan Müller via Pexels

Vanochtend zei ik tegen mijn kinderen dat ze zich moesten aankleden en hun schoenen moesten aantrekken. Want ik heb als thuiswerker geleerd dat dat goed is voor de ijver en daadkracht. Een kwartier eerder dan gepland gingen ze aan het werk. Dat ging erg goed want de juffen hadden de weektaken goed voorbereid. Veel te goed. Want ik was nog wel nodig. Maar net iets te weinig. Dat ging mis.

Ik trapte in mijn valkuil: effetjes iets tussendoor doen. Even een berichtje in een groepsapp. Niemand reageerde. Nog een keer kijken. Niemand. Gelukkig stelde mijn dochter een vraag, maar helaas begreep ze mijn uitleg snel. Dus toen checkte ik maar mijn mail. Dat had ik beter niet kunnen doen. Want er ging weer een opdracht niet door. Het was 10.00 ’s ochtends en ik hunkerde naar contact met een volwassene. Daarom riep ik: ‘Pauze jongens! Naar buiten!’ Zo kon ik eventjes ongestoord bellen met mijn man.

Met zijn collega’s dacht hij na over hoe ze hun financiëel-adviesgesprekken kunnen voeren zonder fysiek klantcontact, rekening houdend met privacy en met de  computerprogramma’s. Na een paar minuten moest hij weer verder. Ik staarde naar buiten.

Dan maar de aluminium tuintafel in elkaar zetten die de hele winter binnen had gestaan. Als de solo-versie van buurman en buurman ging ik aan de slag. ‘Gedoe’ noemde ik het. Want er waren kinderen bij. Maar dat woord dekte de lading niet. Die lading keerde inwaards. Ik werd kribbiger.

De kinderen werkten netjes, gedreven en zelfstandig. Ik was niet alleen trots op ze, maar ook jaloers. Zij wel werken, ik niet. Om mijn frustratie te ontladen ging ik opruimen. Maar ik had mijn kont nog niet gekeerd of ze ontploften! Het was weer zo’n typische broer/zus-ruzie. Ik ging er kofi-annanend tegenaan. Ik voelde me zo verdomd alleen.

’s Avonds zaten we met zijn drietjes aan de wortelstamp. Mijn lievelingsgerecht. Maar toen, ‘oeps’ viel er een glas in duizend stukjes. Scherven in de wortelstamp waar ik me de hele dag op had verheugd. Toen was het geduld van juffrouw mama op.

houd ik dit vol?

Ik hurkte naast mijn leerling en legde haar iets uit dat ik zelf als kind vreselijk moeilijk vond. Honderdtallen bij elkaar optellen. Na mijn uitleg lukte het haar! Het was 10.00 ’s ochtends. We hadden vroeg gepiekt. Alles wat ze nu nog zou leren zou mooi meegenomen zijn.

Terwijl ze in snappet verder werkte hielp ik mijn andere leerling. Hij vroeg mij om uitleg bij een oefening over persoonsvorm en gezegde. Enthousiast ging ik veel te snel de diepte in. Ik begon over beperkende bijzinnen en uitbreidende bijzinnen. Hij zei: ‘Mama, zo weet ik het wel hoor. Ik ga verder.’

Mijn pupillen waren aan het werk en ik liep rond door de huiskamer. Gewichtige stappen. Kopje thee in de hand. Af en toe een klopje op een schouder gevend. Ik wist dat ik dit mooie moment niet moest zien als een pauze. Dat ik niet in de verleiding moest komen om toch effetjes mijn mail te lezen, toch effe wat acquisitie te doen tussendoor. Want in die valkuil was ik in het verleden al tot aan overspannenheid getrapt. Begin je er eenmaal aan, dan wordt het ‘effetjes tussendoor werken’ een energieslurpende verslaving.

Ik hield het bij gekriebelde steekwoorden op vouwblaadjes. De volgende ochtend, tussen vier en zeven zou ik ze uitwerken. Ik vroeg me af hoe die kantoormensen, nu thuiswerkers/docenten/ouders, dit momenteel doen. Want als je lesgeeft moet je radar continu aanstaan. Dat wordt nogal eens onderschat.

Op school hadden de juffen op ieder kinderbureau de weektaak neergelegd, samen met de werkschriftjes en briefjes met inlogcodes van educatieve softwareprogramma’s. Toen ik die ’s middags kwam ophalen was er ook een vader. Hij is, net als ik, een zzp’er zonder veel werk. Vrolijk vertelde hij over hoe hij van de nood een deugd had gemaakt en zich op het lesgeven had gestort. De juffrouw lachte: ‘Wij waren al benieuwd hoe al die ouders dit gaan vinden. Wie weet komen er zo een hoop nieuwe docenten bij!’

Ik word geen basisschooldocent. Want een eerste ochtend lesgeven aan mijn eigen kinderen is totaal iets anders dan jaren aan een stuk voor een grote gemêleerde groep elk jaar weer dezelfde dingen uitleggen. Administratief gezeur afhandelen. Persoonlijk last hebben van de opvoedmethodes die andere ouders erop na houden. Orde houden.

Lesgeven is helaas maar een klein onderdeel van lesgeven aan kinderen. Daarom vond ik het cursusgeven aan kleine groepen volwassenen vroeger altijd zo fijn. Tijdens die bedrijfstrainingen kon ik mijn didactische vaardigheden volledig inzetten. De administratie werd gedaan door de administratie. Verwennerij!

Aandacht van een docent is een luxe, en zo werd het door mijn volwassen cursisten ook altijd gezien. Ik ben benieuwd tot welke inzichten we met zijn allen gaan komen deze periode.

wat het brengt?

Als ik vroeger in de file aan het einde van de middag de uitlaatgassen inademde, vroeg ik me af of het niet beter kon. Ik was gedetacheerd bij BAM-woningbouw in Bunnik in de tijd dat de snelweg er naar toe verbouwd werd. Daar had ik de taak om de aanpassingen in SAP zo te beschrijven dat eindgebruikers snel wisten hoe ze hun werk konden doen.

Elke ochtend stapte ik om half zes in de auto en sloot aan in de rij. Die was extra lang vanwege vorst en verbouwing. Mijn maatwerk-manager zei dat ik niet vanuit huis mocht werken want zo kon ik beter laten zien dat ik echt wel acht uur per dag maakte.

Ik merkte het bij zoveel bedrijven, groot en klein. Als ik tussen al die andere autobestuurders op de snelweg stond, vroeg ik me af: staan al deze mensen hier vanwege achterdocht? Als onze managers en klanten zouden vertrouwen op onze ijver en onze goede wil, zouden de files dan korter zijn? Zouden er dan minder uitlaatgassen de lucht ingestoten worden?

Toen ik bezig was met het schrijven van mijn roman werkte ik met een schrijfcoach. Ze woonde in Warffum, helemaal in het noorden van het land. Gesprekken gingen via mail, post, telefoon en skype. Dat werkte super! Ik leerde ontzettend veel van haar! Ik vond het vreemd dat een romanschrijvercoach wel met de moderne tijd mee kon doen, maar ICT’ers niet.

Ik ben benieuwd naar hoe het de komende drie weken zal gaan. Zal het werk net zo goed gedaan worden wanneer de kantoormensen thuiswerken? Zullen de files korter zijn en zal daardoor de luchtkwaliteit verbeteren? Ik hoop heel erg dat we kunnen aantonen dat het kan. Wie weet brengt het virus ook iets positiefs en wordt het land er uiteindelijk zelfs gezonder op.